Pensioen en scheiding

Pensioen en echtscheiding wat zijn de keuzes en de gevolgen

Informatie van de overheid over pensioen en echtscheiding. Lees ook de folder van de overheid.

Ouderdomspensioen:

Ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd moet worden verdeeld bij echtscheiding. Wanneer u in de huwelijkse voorwaarden verevening van het ouderdomspensioen heeft uitgesloten hoeft u het ouderdomspensioen niet te verevenen (dit mag natuurlijk wel). Laat door de pensioenmaatschappij berekenen hoeveel pensioen u heeft opgebouwd tijdens de huwelijkse periode wanneer u ook voor het huwelijk pensioen heeft opgebouwd. Zo is het voor u inzichtelijk hoe hoog de aanspraak op oudersdomspensioen is na de echtscheiding.
Het ouderdomspensioen wordt niet altijd verdeeld. In de wet staat een ondergrens voor uitbetaling door de pensioenuitvoerder. Deze ondergrens wordt jaarlijks geïndexeerd. Moet de pensioenuitvoerder minder dan € 462,88 bruto per jaar (per 1 januari 2015) betalen aan de ex-partner die niet zelf het pensioen heeft opgebouwd? Dan geldt dit als klein pensioen en deze pensioenen worden niet verdeeld.
Uw ex-partner heeft recht op partnerpensioen, maar alleen als dit een partnerpensioen op opbouwbasis betreft. Als uw partnerpensioen op risicobasis is verzekerd, vervalt het recht voor uw ex-partner op dit pensioen. In uw pensioenregeling ziet u hoe dit in uw geval is geregeld. Dit geldt ook voor het eventuele partnerpensioen dat uw ex-partner heeft opgebouwd in zijn of haar pensioenregeling.

De wet bepaalt dat al het partnerpensioen dat tot de scheiding is opgebouwd bij een scheiding naar uw ex-partner gaat. Dat partnerpensioen heet daarna het bijzonder partnerpensioen. Dat geldt bij een echtscheiding, maar ook bij het verbreken van een geregistreerd partnerschap.

Als u hertrouwt, krijgt uw nieuwe partner dus niet uw hele partnerpensioen omdat uw ex-partner recht heeft op een deel daarvan. Het partnerpensioen voor uw nieuwe partner wordt hierdoor fors lager.

Bij een partnerpensioen op opbouwbasis blijft een aanspraak op het opgebouwde deel staan als u niet langer aan de pensioenregeling deelneemt. Na een scheiding houdt de ex-partner recht op het partnerpensioen dat tot de datum van scheiding is opgebouwd. Het is mogelijk,  het opgebouwde partnerpensioen, met instemming van je partner, op de pensioendatum in te ruilen voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen.

Bij een partnerpensioen op risicobasis bouwt u geen aanspraak op. U bent verzekerd tegen het risico van overlijden zolang u deelneemt aan de pensioenregeling. Zodra u geen deelnemer meer bent aan de pensioenregeling, bijvoorbeeld bij ontslag of op de pensioendatum, is er geen recht meer op een partnerpensioen bij overlijden. Op de pensioendatum is er geen partnerpensioen, dus inruil is niet mogelijk. Op de pensioendatum en ook bij ontslag heeft u het recht een deel van het ouderdomspensioen om te ruilen in een partnerpensioen.

Bij een scheiding heeft uw ex-partner recht op de helft van het ouderdomspensioen dat u tijdens uw huwelijk (of geregistreerd partnerschap) heeft opgebouwd. Dit geldt zowel voor een echtscheiding als een scheiding van tafel en bed. In de wet wordt dit recht ‘verevening’ genoemd.

Uw ex-partner krijgt zijn of haar deel van het ouderdomspensioen vanaf de datum dat u met pensioen gaat. Het wordt uitgekeerd zolang u beiden in leven bent. Als uw ex-partner overlijdt, krijgt u zijn of haar deel er weer bij. Als u eerder overlijdt dan uw ex-partner, stopt de uitkering van het deel van het ouderdomspensioen aan hem of haar ook.

U mag van de wettelijke regeling van pensioenverdeling afwijken. U kunt er bijvoorbeeld voor kiezen uw pensioen niet te verdelen. In veel pensioenregelingen staat dat dit moet worden vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. Een advocaat of notaris kan u daarbij helpen.

Ook kunt u voor conversie kiezen. Conversie is een methode waarbij een of meer pensioensoorten worden omgezet in een andere pensioensoort. Bij echtscheiding kunt u overeenkomen dat de pensioenen die aan de ex-partner toekomen (deel van het ouderdomspensioen en het bijzonder nabestaandenpensioen) worden omgezet in één eigen pensioen voor de ex-partner.Bij conversie worden het aandeel in het ouderdomspensioen en de waarde van het bijzonder partnerpensioen voor uw ex-partner omgezet in één pensioenrecht voor de ex-partner. Hiermee kan de ex-partner zelf bepalen wanneer het pensioen ingaat, maar hij of zij moet dus wel volledig in het eigen onderhoud kunnen voorzien.

Een nadeel van conversie is dat u na overlijden van uw ex-partner niet uw volledige ouderdomspensioen (terug)krijgt. U doet bij conversie namelijk definitief afstand van de helft van uw ouderdomspensioen. Tevens krijgt uw ex-partner geen uitkering bij uw overlijden. Een conversie kan nuttig zijn wanneer u of uw ex-partner veel van leeftijd verschillen. Bij een conversie wordt het geconverteerde pensioen uitgekeerd op de eigen pensioengerechtigde leeftijd. Bij standaard verevening zou de 10 jaar jongere vrouw al een pensioen krijgen ( deel van de man ) op haar 55ste jaar terwijl de man het deel van pensioen van de vrouw pas vanaf zijn 75- jarige leeftijd zal gaan ontvangen.

Als uw partner de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt en u  voor 1 januari 1950 bent geboren, dan heeft u mogelijk recht op de partnertoeslag AOW.
Wanneer u een overzicht wilt inzien welke ouderdomspensioenen u of uw ex-partner heeft opgebouwd dan kunt u inloggen op de website www.mijnpensioenoverzicht.nl. Door in te loggen met uw digid ziet u een overzicht van uw opgebouwde pensioenen en aow.
Als u de scheiding binnen twee jaar meldt aan uw pensioenuitvoerder, moet de pensioenuitvoerder het pensioendeel rechtstreeks aan uw ex-partner uitbetalen. Dus zonder uw tussenkomst.

Als u de scheiding pas na twee jaar meldt, vervalt het recht op rechtstreekse uitbetaling door de pensioenuitvoerder. Dan moet u volgens de wet het deel van het ouderdomspensioen voor uw partner zelf uitbetalen.

U kunt uw scheiding melden met een formulier van de Rijksoverheid.

Als partijen kiezen voor het afzien van de wettelijke bepalingen of een andere verdeling kiest dan 50% - 50%, dan treedt in beginsel de bepalingen van het Boon/Van Loon arrest weer in werking. De partij die afziet van verevening, zal gecompenseerd moeten worden. Wordt dit nagelaten, dan is de vraag of hier sprake is van een schenking. Bij schenking moet sprake zijn van een verarming van de schenker en een verrijking van de begiftigde, tevens moet sprake zijn van vrijgevigheid. Vrijgevigheid wordt in familierechterlijke betrekking al snel aangenomen. De verrijking komt pas tot stand als definitief sprake is van vermogensverschuiving. Door het afzien van de wettelijke regeling, kan op pensioendatum een verrijking plaatsvinden. De vereveningsplichtige ontvangt immers een hoger pensioen.

Als wordt afgezien van nabestaandenpensioen, dan zal geen sprake zijn van een verrijking, omdat deze aanspraak niet toekomt aan de vereveningsplichtige.  Als in huwelijkse voorwaarden vóór het huwelijk de wettelijke verdeling wordt uitgesloten, dan is geen sprake van schenking. Dit geldt ook als beide partijen een nagenoeg identieke regeling hebben. Indien echter tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden worden opgesteld waarbij wordt afgezien van verevening zonder compensatie hiervan, dan wordt afgezien van een toekomstig recht en dan kan dus wel schenking aan de orde zijn.

Bij compensatie is het verder van belang om de juiste fiscale uitgangspunten niet uit het oog te verliezen. Een pensioenaanspraak is een bruto vermogensbestanddeel (box I). Bij overbedeling van de ex-partner in de vorm van overwaarde op de eigen woning (netto vermogensbestanddeel), geldt dat deze waarde belast is bij de vereveningsgerechtigde. De vereveningsplichtige mag de waarde van de overbedeling in mindering brengen op zijn fiscaal inkomen als persoonsgebonden aftrek.

Alleen als u het pensioenfonds tijdig (binnen twee jaar) hebt geïnformeerd over de afspraken rond het einde van uw huwelijk of geregistreerde partnerschap, wordt het aan uw ex-partner toekomende deel van het ouderdomspensioen rechtstreeks door het pensioenfonds aan haar of hem uitbetaald.

Als uw afspraken voor pensioenverdeling niet binnen twee jaar bij het pensioenfonds bekend is, verzorgt het pensioenfonds deze betaling niet. U ontvangt dan na uw pensionering ook het deel van het ouderdomspensioen waar uw ex-partner recht op heeft. Dat wil niet zeggen dat uw ex-partner dan geen recht meer heeft op een deel van uw ouderdomspensioen. Uw ex behoudt zijn of haar recht maar moet dit dan rechtstreeks via u regelen. Het pensioenfonds speelt daar geen rol meer bij.

Lijfrente zijn weliswaar bedoeld als aanvulling op uw oude dag maar vallen niet onder de wet pensioenverevening bij echtscheiding. Hierdoor valt een lijfrente onder de vermogensverdeling.
Pensioen in eigen beheer. Als de directeur groot aandeelhouder (DGA) pensioen in eigen beheer opbouwt en gaat scheiden, zal er ook verevend moeten worden (tenzij de echtgenoten die verevening uitsluiten. Bij verevening van pensioen in eigen beheer zit de vereveningsgerechtigde in een lastig parket: het pensioen zit in de BV van de ex-echtgenoot en die kan met allerlei snode plannen en ingrepen de waarde van haar pensioenrechten uithollen. Exen van DGA’s vinden dat ongewenst: zij eisen dat het hun toekomende pensioenkapitaal wordt afgestort bij een professionele verzekeraar. Is de DGA verplicht om dat te doen? De Hoge Raad,
ons hoogste rechtscollege, heeft die vraag in een principieel arrest van februari 2007 bevestigend beantwoord. De Raad oordeelde: “De eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhoudingen tussen de ex-echtgenoten beheersen, zullen in het algemeen meebrengen dat de tot verevening verplichte echtgenoot die als directeur en enig aandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is
voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak”.
Toch zijn er uitzonderingen, zo blijkt uit datzelfde arrest: “De beantwoording van de vraag of daarop (de afstorting) in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt, moet geschieden met
inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij zal de omstandigheid dat onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren slechts dan tot
ontkennende beantwoording van die vraag kunnen leiden indien de vereveningsplichtige (de DGA)
stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen ook niet kunnen
worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de
rechtspersoon en de onderneming waaraan deze verbonden is, in gevaar te brengen”.
De conclusie is kort gezegd: afstorting is verplicht, tenzij de BV, de onderneming, daardoor op een faillissement afstevent.
Wat moet er worden afgestort?
Daarmee ontstaat een volgend probleem: wat moet er worden afgestort? Is dat de koopsom die een
professionele verzekeraar wil hebben om die pensioenverplichtingen af te dekken, of is dat een
evenredig gedeelte van de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichtingen?
Ook die vraag is door de Hoge Raad beantwoord: er moet uitgegaan worden van het werkelijk
benodigde kapitaal om de pensioenverplichting af te dekken.
Dat oordeel kan voor de DGA en zijn BV bijzonder duur uitpakken. Door de recente daling van de
marktrente rekenen professionele verzekeraars al lang niet meer met een rekenrente van 4%. En
die rekenrente moet de BV wel verplicht aanhouden bij de fiscale waardering van haar
pensioenverplichtingen. Daarnaast mag de BV – op grond van rechtspraak en wetgeving – bij de
waardering van de pensioenverplichtingen geen rekening houden met een toegezegde na-indexatie
van de pensioenuitkeringen, met leeftijdsterugstellingen en met het risico van vooroverlijden. De professionele verzekeraar neemt al deze elementen wél mee bij de berekening van de benodigde
koopsom om de pensioenverplichtingen gedekt te houden.
Daardoor is de commerciële waarde van de pensioenverplichtingen veel hoger dan de fiscale waarde, soms wel het dubbele bedrag! En dat merkt de DGA als zijn BV het aan zijn ex toekomende gedeelte van de pensioenrechten moet afstorten bij de verzekeraar: dat leidt in de BV tot een fors verlies. Als gevolg daarvan dalen de aandelen in de BV in waarde. En dat kan weer tot een voordeel leiden als de DGA niet alleen zijn pensioenrechten, maar ook zijn overige vermogensbestanddelen moet delen met zijn ex-echtgenote.